Uut 't Wald | Rowbokserig

Rowbokserig

Hoe je het ook wendt of keert, als het gaat over wellevendheid, keurig gedrag of welsprekendheid, dan zullen wij Achterhoekers niet snel als voorbeeld worden genoemd. Hooguit als voorbeeld van hoe het niet moet, ben ik bang.
Ik wil niet generaliseren, maar stel vast dat onze taal niet voor niets een groot aantal woorden kent, die allemaal een betekenis hebben die dicht bij ruw, bruusk, onbesuisd of onbehouwen ligt. Het woord rowbokserig is voor mij met afstand het mooiste. Een woord dat ook niet zou misstaan in liedteksten van Hans Keuper of Normaal. Jammer genoeg wordt het bij mijn weten niet meer gebruikt, bijna geen Achterhoeker die het nog kent.
Datzelfde geldt waarschijnlijk voor dolbottereg, ronkesachteg en onwattig. En wel zeker ook voor broes, nieds en birrig. Woorden die je nog terug kunt vinden in woordenboeken (en dus ook in het WALD, het woordenboek van de Achterhoekse en Liemerse dialecten), maar die in de hedendaagse streektaal niet meer worden gebruikt.
Balstureg is echter een woord dat je nog wel eens hoort. Of ook wel baldereg. De van oorsprong dialectsprekers in Doetinchem zullen misschien het woord joechtereg nog kennen en gebruiken, oudere Winterswijkers hebben het nog over boldiezeg.
Andere termen zijn hefteg, rauw, wuust en gedaon. Maar het meest gebruikt zijn toch wel onbesoesd, onstumeg en onbenulleg. En met dat laatste woord is iets geks aan de hand. Je hoort namelijk ook vaak mensen onve(r)nulleg zeggen. Gewoon grappig bedoeld? Dat zou je wel denken, natuurlijk. Maar afgaande op het WALD hoort dit woord toch echt 'officieel' tot de streektaal van Varsseveld, Voorst en Drempt.

Meer berichten